|
HOME
Foto's
De SPELERS
Wapenfabriek
Cultureel Erfgoed
P.Stevens Lopenfabriek
CONTACT / E-MAIL
|
De geschiedenis van de
wapenindustrie voor draagbare vuurwapens in de Nederlanden is met sagen,
mythen en legenden doorspekt. Dat geldt in het bijzonder voor de
Maastrichtse wapenindustrie. Tijd voor een nader onderzoek. Deze site
richt zich dan ook op het beantwoorden van de vraag: Welke aspecten
hebben bijgedragen aan de opkomst en ondergang van de wapenindustrie in
Maastricht in de negentiende eeuw, en in hoeverre hebben deze elkaar
beďnvloed? Uit deze probleemstelling volgen diverse onderzoeksvragen. In
de kern komt het hier op neer: Waar haalde het Nederlandse leger haar
wapens en verwisselstukken vandaan? Hoe verliepen die aankoop- en
productieprocessen en wie waren daarbij betrokken?

Ten tijde van de 'Vereenigde Republiek' en het 'Koninkrijk Holland'
werden geweren geproduceerd in de geweerfabriek te CULEMBORG. Later werd
deze op last van Napoleon gesloten. Nog voor de geboorte van het
'Koninkrijk der Vereenigde Nederlanden' haastte de toekomstige koning
Willem I zich geweren te verschaffen uit Engeland: de zogenaamde 'Brown
Bess' musket. Niet te verwarren met de 'Baker rifle' dat een geweer
was voorzien van trekken en velden. Was het Koninkrijk eenmaal een feit, lag het voor de hand waar de
geweren geproduceerd dienden te worden: LUIK! Waar anders? De Brown Bess
werd geleidelijk vervangen door het Franse model 1777 corrigé en ook
werden geheel nieuwe modellen geďntroduceerd.
|

|
 |
|
Het Franse model 1777
corrigé. |
'Brown Bess'
vuursteengeweer. |
Na de Belgische afscheiding in 1830
gingen voor Nederland de wapenfabrieken in het Luikse verloren. De
geweerfabriek van DEVILLERS was geplunderd. Overige fabrikanten zoals
MALHERBE en MALHERBE DE GOFFONTAINE, zagen hun handel verloren. De
voormalige geweerfabriek te Culemborg bestond al lang niet meer, en de
GEWEERWINKEL te Delft was niet meer dan een werkplaats. Het Rijk week voor
de behoefte dientengevolge uit naar de Firma SPANGENBERG te SUHL. Maar ook
de firma ENTHOVEN in Den Haag werd met orders begunstigd. Toen de
betrekkingen tussen België en Nederland enigszins gestabiliseerd waren,
kwamen de Walen terug in de race om de orders.
 De
technologische vooruitgang en de ontwikkelingen op internationaal politiek
terrein dwongen de Nederlandse regering rond 1840 een antwoord te vinden op
de vraag hoe de bewapening van het leger eruit moest gaan zien, nu de
vuursteenwapenen door de opkomst van het percussiestelsel (ook wel
slagstelsel genoemd) verouderd waren. Uiteindelijk werd om economische
motieven gekozen de reeds in gebruik zijnde geweren en pistolen om te
bouwen. Eind 1841 viel de beslissing deze opdracht te gunnen aan de
Maastrichtse grootondernemer PETRUS REGOUT.
Regout had zich al in 1834 tot het
gouvernement gericht met het verzoek met het oprichten van een geweerfabriek
te mogen worden belast. Een verzoek dat niet werd gehonoreerd wegens de
geheel en al onbekendheid van de aanbieder met het fabriceren van wapenen.
Tevens had de overheid moeite met de locatie van de plaats Maastricht. Des
te opmerkelijk is het dus dat juist Regout met de transformatie van de
vuursteengeweren in slaggeweren werd belast; enige ervaring had hij immers
nog steeds niet opgedaan én de geweerfabriek zou in bedoelde plaats worden
gevestigd. Na amper een jaar hield Regout het al voor gezien en verhuurde
'Zijne oude Cavaille, die alle dagen dreigt intestorten'
aan het Rijk. Hoewel de 'geweerfabriek' van Regout door sommige auteurs
gezien wordt als een 'flagrante mislukking', is dat zeer de vraag. De
redenen van het 'falen' worden momenteel onderzocht. Het is echter niet zo
dat hij 'de man is, die het eerst de kiemen tot vestiging der
wapenfabricatie op Nederlandschen bodem' heeft gelegd, zoals hijzelf in
1851 eerbiedig de minister van Oorlog te kennen gaf. Die kiemen waren reeds
veel eerder gelegd...
'Dat bij het doen zijner
propositie, Petrus iets geheimzinnigs verscholen hield, heb ik dadelijk
vermoed, en er daarom ook voorlopig slechts een uitwijkend antwoord
opgegeven, daar ik langzamerhand meer en meer geďnitieerd begin te
worden in die koekebakkers streken.' Maastricht 1846, de 1e lt.
Battaerd, opzichter van de geweermakerswerkplaatsen aan de lt-kol.
Brade, Inspecteur der draagbare wapenen.
Het
'échec' van Regout leidde tot de oprichting van de Geweermakerswerkplaatsen
in Maastricht die, buiten in de van Regout gehuurde gebouwen, ook elders in
de stad gevestigd werden. Toen het Rijk de beslissing nam deze op te heffen,
stampte de eveneens Maastrichtse zakenman PETRUS STEVENS vanaf eind 1849 een
wapenfabriek uit de grond die in juni 1850 volledig operationeel was. De
hoofdzetel werd gevestigd te Maastricht, de geweerlopen werden geproduceerd
in een molen in het gehucht Biesland in de gemeente Oud-Vroenhoven. In
tegenstelling tot Regout was Stevens niet onbekend met het fabriceren van
wapens en wapenonderdelen, tenslotte was hij in 1836 al actief op dit
gebied. Reeds in 1852 verkreeg zijn fabriek het predicaat 'Koninklijk'. Na
de dood van Stevens in 1863, raakte zijn fabriek langzamerhand in verval.
Dat ofschoon er nog wel ijverig gewerkt werd de oude voorladers tot
achterladers naar het model Snider te transformeren. Maar veel geproduceerd,
werd er niet meer.

In 1869 was het leger druk doende nieuwe geweren te beproeven, die de
onlangs nog geďntroduceerde Snidergeweren reeds moesten vervangen door een echte
achterlader met een kleiner kaliber. De beproevingen reeds ingang zijnde, meldde
een derde Maastrichtenaar zich uit het niets: Of hij nog mee kon doen? Dat
mocht. En warempel, het door hem aangeboden wapen kwam als beste uit de bus.
Toen dat model geweer voor enige legeronderdelen als standaardwapen werd
aangenomen, liet EDOUARD DE BEAUMONT, die zelf geen fabriek had, het wapen bij
de Manufacture Impériale d'Armes te St. Etienne produceren. De Frans-Duitse
oorlog van 1870 strooide echter roet in het eten. De zojuist te St. Etienne
gearriveerde keuringscommissie kon de koffers linea recta naar Suhl doen verder
sturen, waar de productie nu door een consortium, bestaande uit de heren SIMSON,
LUCK, GÖBEL, SCHALLER en BORNMÜLLER. werd voortgezet.
Echter
ook de Wapenfabriek P.Stevens Maastricht, voortgezet door zijn vier zonen,
beleefde een opleving toen ook deze met orders voor het Beaumontgeweer werd
begunstigd. De Beaumont spande een proces aan tegen Stevens, dat hij
uiteindelijk verloor. Zelf kreeg hij een proces van Chassepot aan de broek
die hem van plagiaat betichtte, dat hij won. En zo werd Neerlands kool en
geit gespaard. Stevens raakte niet in een faillissement verzeild. De
Beaumont mocht blij zijn dat hij met orders was begunstigd en dientengevolge
met stip op de lijst 'Hoogstaangeslagenen in 's Rijks directe belastingen in
het Hertogdom Limburg' van de fiscus binnenkwam, en de zich bestolen
voelende Chassepot werd na betaling van proceskosten het spreekwoordelijke
bos ingestuurd.
Edouard
de Beaumont is, op zijn zachts gezegd, een 'personnage curieux'. Afgezien
van alle mogelijke andere activiteiten die hij zoal nog meer ontplooide,
gold hij lange tijd als uitvinder van het Beaumontgeweer. Echter in 2006 op
het symposium van de 'Vereniging Edouard de Beaumont', verraste de heer W.A.
Dreschler de wereld met een Amerikaans octrooi uit 1870: 'Be it known
that I, John Joseph Cloes, of Ličge, in the Kindom of Belgium, have invented
a new improvement in Breech-loading Fire-arms'. Cloes deed dit als
uitvinder, maar tevens als 'assignor to Edward de Beaumont, of same
place'. Dit stukje papier maakte aldus een einde aan een jarenlange
discussie of De Beaumont nu wel of niet de uitvinder was. Jean-Joseph Cloes,
had op diens beurt wellicht inspiratie had opgedaan bij de Franse
geweerontwerper Antoine Alphonse Chassepot en bij het Mauser-Norris geweer.
De productie van het Beaumontgeweer liep snel ten einde. Stevens kreeg nog
enkele orders voor levering van revolvers voor officieren, echter die waren
in het leger toen nog dun bezaaid. De zonen van Stevens, die niets voelden
voor het naar Amsterdam verplaatsen van hun fabriek, kochten aardige
optrekjes in het Limburgse en gingen wat anders 'doen'. Na de dood van Emile
Stevens werd de wapenfabriek overgedaan aan... Edouard de Beaumont (onder de
firma De Beaumont-Soleil). De Beaumont en zijn partner, de Luikerwaal
Soleil, huurden daartoe aanvankelijk ook enige bedrijfspanden van Stevens;
later werd het gehuurde aangekocht.
Enige
opschudding ontstond toen in 1888 het inmiddels verouderde Beaumontgeweer
moest worden omgebouwd tot een meerlader naar het model van de Italiaan
Vitali en het Rijk deze order aan de firma FRANCOTTE uit Luik wilde gunnen.
Geruggensteund door de media wist De Beaumont de order voor de poorten van
de hel weg te kapen. Ook dit was geen lang leven beschoren. In 1890 nam hij
de activiteiten en het onroerend goed voor eigen rekening over. De heren
Stevens van het toneel verdwenen en De Beaumont noch zijn zonen tot
innovatie in staat, raakte de eens zo veel geprezen geweerfabriek verder in
verval. Edouard overleed in 1895. Door derden zijn er nog wel pogingen
gedaan de wapenindustrie te Maastricht nieuw leven in te blazen, maar door
'omstandigheden' is het hier nooit van gekomen. En zo kwam er in Maastricht
een 'definitief' einde aan het eeuwenoude ambacht van geweermaker.
 En
Delft? 's Rijks Geweerwinkel te Delft ontwikkelde zich langzamerhand wél tot
een echte geweerfabriek, zij het op bescheiden schaal. Rond de eeuwwisseling
geleidelijk verplaatst naar Hembrug, had de overheid dat wat het altijd al
wilde: een geweerfabriek binnen de vesting Amsterdam. Een vesting die niet
lang stand hield. De inval van de Duitsers in 1940 maakte een voorlopig
einde aan de Artillerie Inrichtingen, zoals het toen heette. Na de oorlog
beleefde óók deze inrichting nog een tijdelijk opleving. De ontwikkeling van
een wapen genaamd AR10, dat zijn tijd begin jaren zestig ver vooruit was en
gezien kan worden als voorloper van het bekende Amerikaanse M16-geweer, had
de geweermakerij voor Nederland kunnen behouden, maar weer zaten de
'omstandigheden' niet mee. De regering bestelde de benodigde nieuwe geweren
bij FN te Herstal in het Luikse, en daarmee was de cirkel rond. In 1963
sloot ook de fabriek Hembrug haar deuren en gingen de geweermaker en de
wapencontroleur naar huis. Uiteindelijk blijft het België boven. Nederland,
of misschien beter: Holland was en is een handelsnatie. Dat wat rest zijn
enige bewaard gebleven stukken, waaronder de wereldvermaarde Maastrichtse
ivoren pistolen, die o.a. te bewonderen zijn in het Leger Museum te Delft en
het Museum aan het Vrijthof te Maastricht.
Niet alleen in Nederland, maar ook in
België zijn wapens van Nederlandse makelij te bewonderen. Het Koninklijk
Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis te Brussel geeft in de
Technische Zaal een prima overzicht van 19e eeuwse vuurwapens. Tevens wordt
aandacht gegeven aan de verschillende stadia van de productie ervan.
Volgens
de Duitse Börsen-Zeitung (1875) behoorde het Beaumontgeweer tot de
vijf beste geweren voor militaire doeleinden van dat moment, dat naast de
Mauser (Duits), de Werder
(Beiers), de Berdan (Russisch) en de Gras (Frans). Een keuze
uit zes en twintig verschillende soorten achterlaadgeweren die toen bij de
diverse Europese legers in gebruik waren.
Veel 'actie' heeft het Beaumontgeweer (gelukkig) niet gezien. Een van de
weinige oorlogen waar het een rol heeft gespeeld, was de Atjeh-oorlog die
met tussenpozen woedde tussen 1873 en 1914. Werd het wapen eerst geroemd
wegens gebruikersgemak en stoppend vermogen, later werd het verwenst omdat
het daté was. In 1895 werd het vervangen door het Mannlichergeweer M95.
Buiten de Infanterie is ook nog de Dienstdoende Schutterij met het wapen
uitgerust, en werd het ook veel gebruikt voor schietwedstrijden. Nu is het
vooral een verzamelaarobject, waarvoor in Nederland en België geen
vergunning noodzakelijk is. Het Beaumontgeweer werd ook nog gemaakt bij de
Werkplaats Draagbare Wapenen te Delft. Naast aannemers en producenten waren
zowel Stevens als De Beaumont ook handelaren, en vermarkten zij een scala
aan producten voor zowel de professionele- als voor de consumentenmarkt:
bajonetten, machetes, sabels, jachtgeweren.
Een
uiterst zeldzaam koloniaal pistool M1850, geproduceerd door Petrus
Stevens. (Zie ook boven) Het wapen is voorzien van het keurmerk van de
wapencontroleur Johannes Schneider, geslagen onder auspiciën van de lt.
kol. Brade. Schneider was geboren 1807 in Zella St. Blazii iets ten
noorden van Suhl, hij overleed eind 1865 te Delft. 'Zeker is het dat
de vele en goede diensten die het Rijk van wijlen haren man heeft
genoten haar ongetwijfeld eenige onderstand doen waardig zijn,'
aldus de kapitein Boom, chef van de Geweerwinkel, naar aanleiding van
het verzoek van de weduwe Schneider-Büttner om financiële bijstand begin
1866.
Mijn onderzoek richt zich niet op de techniek. Boeken over wapens volop.
Wat mij meer boeit, is hoe die fabrieken eruitzagen en de mensen die deze
nijverheid hebben gekleurd. Niet alleen de ondernemers en hun relatie tot de
overheid, maar ook de vaklui. De militair, werkzaam bij de
Inspectie draagbare wapenen. De wapencontroleur en niet in de laatste
plaats de geweermaker. Hij die een ambacht had waar men trots op mocht gaan,
maar toch, met name door de overheidsdienaren, gezien werd als 'het
werkvolkje'. Wie waren deze mensen? Hoe leefden zij? Soms wel aardig, geloof
ik...
'Hoogedelgestrenge Heer, Waarde Overste! Uit de hierbij gevoegde
werklijsten zult U HoogEdGestr ontwaren dat de Carnavalsweek, door ons
werkvolkje goed benut is, en dat zij meer gedanst, gesprongen enz. als
gewerkt hebben; hunne zakken hebben zich evenwel daardoor geledigd en om ze
weder te vullen zetten zij dan ook nu weer alle hunne zeilen bij.'
Maastricht 1846, Battaerd aan Brade.

OPROEP:
Graag zou ik met mensen in contact komen die wellicht een persoonlijke
familienoot kunnen en willen bijdragen.
Rechts: Dhr. J.C. Thonus (geb.
Culemborg 1810 + Maastricht 1884), een van de vele geweermakers /
wapencontroleurs uit de geweermakerfamilie Thonus met sporen in Luik,
Culemborg, Maastricht, Delft en Hembrug. Bijdrage van dhr. J.Thonus.
Neemt u gerust
CONTACT / E-MAIL
op. Alle info en opmerkingen welkom!
HOME
|
|