Perron de Ličge

Wapen stad Maastricht

De wapenindustrie in Nederland en België in de 19e eeuw

Introductie tot een reconstructie van een stukje industrieel erfgoed.

 

Welkom op de site van Edouard -Eddy- de Beaumont

 

Terwijl 'LUIK' nog immer floreert, verviel 'MAASTRICHT' in vergetelheid 

 

 

 

HOME

 

Foto's 

 

De SPELERS

 

Wapenfabriek

 

Cultureel Erfgoed

 

P.Stevens Lopenfabriek

 

CONTACT / E-MAIL 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De geschiedenis van de wapenindustrie voor draagbare vuurwapens in de Nederlanden is met sagen, mythen en legenden doorspekt. Dat geldt in het bijzonder voor de Maastrichtse wapenindustrie. Tijd voor een nader onderzoek. Deze site richt zich dan ook op het beantwoorden van de vraag: Welke aspecten hebben bijgedragen aan de opkomst en ondergang van de wapenindustrie in Maastricht in de negentiende eeuw, en in hoeverre hebben deze elkaar beďnvloed? Uit deze probleemstelling volgen diverse onderzoeksvragen. In de kern komt het hier op neer: Waar haalde het Nederlandse leger haar wapens en verwisselstukken vandaan? Hoe verliepen die aankoop- en productieprocessen en wie waren daarbij betrokken?

Wapen stad Culemborg

 

Ten tijde van de 'Vereenigde Republiek' en het 'Koninkrijk Holland' werden geweren geproduceerd in de geweerfabriek te CULEMBORG. Later werd deze op last van Napoleon gesloten. Nog voor de geboorte van het 'Koninkrijk der Vereenigde Nederlanden' haastte de toekomstige koning Willem I zich geweren te verschaffen uit Engeland: de zogenaamde 'Brown Bess' musket. Niet te verwarren met de 'Baker rifle' dat een geweer was voorzien van trekken en velden. Was het Koninkrijk eenmaal een feit, lag het voor de hand waar de geweren geproduceerd dienden te worden: LUIK! Waar anders? De Brown Bess werd geleidelijk vervangen door het Franse model 1777 corrigé en ook werden geheel nieuwe modellen geďntroduceerd.

 

 

Frans Model 1777 corrigé zoals bij Nederlandse leger in gebruik

 

Brown Bess vuursteengeweer

Het Franse model 1777 corrigé.

 'Brown Bess' vuursteengeweer.  

Na de Belgische afscheiding in 1830 gingen voor Nederland de wapenfabrieken in het Luikse verloren. De geweerfabriek van DEVILLERS was geplunderd. Overige fabrikanten zoals MALHERBE en MALHERBE DE GOFFONTAINE, zagen hun handel verloren. De voormalige geweerfabriek te Culemborg bestond al lang niet meer, en de GEWEERWINKEL te Delft was niet meer dan een werkplaats. Het Rijk week voor de behoefte dientengevolge uit naar de Firma SPANGENBERG te SUHL. Maar ook de firma ENTHOVEN in Den Haag werd met orders begunstigd. Toen de betrekkingen tussen België en Nederland enigszins gestabiliseerd waren, kwamen de Walen terug in de race om de orders.

Niederland Koloniaal pistool M1850. Percussie. Geproduceerd door Stevens MaastrichtPetrus Regout 1801-1878De technologische vooruitgang en de ontwikkelingen op internationaal politiek terrein dwongen de Nederlandse regering rond 1840 een antwoord te vinden op de vraag hoe de bewapening van het leger eruit moest gaan zien, nu de vuursteenwapenen door de opkomst van het percussiestelsel (ook wel slagstelsel genoemd) verouderd waren. Uiteindelijk werd om economische motieven gekozen de reeds in gebruik zijnde geweren en pistolen om te bouwen. Eind 1841 viel de beslissing deze opdracht te gunnen aan de Maastrichtse grootondernemer PETRUS REGOUT.

Regout had zich al in 1834 tot het gouvernement gericht met het verzoek met het oprichten van een geweerfabriek te mogen worden belast. Een verzoek dat niet werd gehonoreerd wegens de geheel en al onbekendheid van de aanbieder met het fabriceren van wapenen. Tevens had de overheid moeite met de locatie van de plaats Maastricht. Des te opmerkelijk is het dus dat juist Regout met de transformatie van de vuursteengeweren in slaggeweren werd belast; enige ervaring had hij immers nog steeds niet opgedaan én de geweerfabriek zou in bedoelde plaats worden gevestigd. Na amper een jaar hield Regout het al voor gezien en verhuurde 'Zijne oude Cavaille, die alle dagen dreigt intestorten' aan het Rijk. Hoewel de 'geweerfabriek' van Regout door sommige auteurs gezien wordt als een 'flagrante mislukking', is dat zeer de vraag. De redenen van het 'falen' worden momenteel onderzocht. Het is echter niet zo dat hij 'de man is, die het eerst de kiemen tot vestiging der wapenfabricatie op Nederlandschen bodem' heeft gelegd, zoals hijzelf in 1851 eerbiedig de minister van Oorlog te kennen gaf. Die kiemen waren reeds veel eerder gelegd...

'Dat bij het doen zijner propositie, Petrus iets geheimzinnigs verscholen hield, heb ik dadelijk vermoed, en er daarom ook voorlopig slechts een uitwijkend antwoord opgegeven, daar ik langzamerhand meer en meer geďnitieerd begin te worden in die koekebakkers streken.'
Maastricht 1846, de 1e lt. Battaerd, opzichter van de geweermakerswerkplaatsen aan de lt-kol. Brade, Inspecteur der draagbare wapenen.

Petrus Stevens MaastrichtHet 'échec' van Regout leidde tot de oprichting van de Geweermakerswerkplaatsen in Maastricht die, buiten in de van Regout gehuurde gebouwen, ook elders in de stad gevestigd werden. Toen het Rijk de beslissing nam deze op te heffen, stampte de eveneens Maastrichtse zakenman PETRUS STEVENS vanaf eind 1849 een wapenfabriek uit de grond die in juni 1850 volledig operationeel was. De hoofdzetel werd gevestigd te Maastricht, de geweerlopen werden geproduceerd in een molen in het gehucht Biesland in de gemeente Oud-Vroenhoven. In tegenstelling tot Regout was Stevens niet onbekend met het fabriceren van wapens en wapenonderdelen, tenslotte was hij in 1836 al actief op dit gebied. Reeds in 1852 verkreeg zijn fabriek het predicaat 'Koninklijk'. Na de dood van Stevens in 1863, raakte zijn fabriek langzamerhand in verval. Dat ofschoon er nog wel ijverig gewerkt werd de oude voorladers tot achterladers naar het model Snider te transformeren. Maar veel geproduceerd, werd er niet meer.

 

Nederlands Snidergeweer. Deze geweren waren ingericht volgens het percussiestelsel

In 1869 was het leger druk doende nieuwe geweren te beproeven, die de onlangs nog geďntroduceerde Snidergeweren reeds moesten vervangen door een echte achterlader met een kleiner kaliber. De beproevingen reeds ingang zijnde, meldde een derde Maastrichtenaar zich uit het niets: Of hij nog mee kon doen? Dat mocht. En warempel, het door hem aangeboden wapen kwam als beste uit de bus. Toen dat model geweer voor enige legeronderdelen als standaardwapen werd aangenomen, liet EDOUARD DE BEAUMONT, die zelf geen fabriek had, het wapen bij de Manufacture Impériale d'Armes te St. Etienne produceren. De Frans-Duitse oorlog van 1870 strooide echter roet in het eten. De zojuist te St. Etienne gearriveerde keuringscommissie kon de koffers linea recta naar Suhl doen verder sturen, waar de productie nu door een consortium, bestaande uit de heren SIMSON, LUCK, GÖBEL, SCHALLER en BORNMÜLLER. werd voortgezet.

 

"Das fransösische Zündnadelgewehr von Chassepot 1866". Publicatie uit 1868Echter ook de Wapenfabriek P.Stevens Maastricht, voortgezet door zijn vier zonen, beleefde een opleving toen ook deze met orders voor het Beaumontgeweer werd begunstigd. De Beaumont spande een proces aan tegen Stevens, dat hij uiteindelijk verloor. Zelf kreeg hij een proces van Chassepot aan de broek die hem van plagiaat betichtte, dat hij won. En zo werd Neerlands kool en geit gespaard. Stevens raakte niet in een faillissement verzeild. De Beaumont mocht blij zijn dat hij met orders was begunstigd en dientengevolge met stip op de lijst 'Hoogstaangeslagenen in 's Rijks directe belastingen in het Hertogdom Limburg' van de fiscus binnenkwam, en de zich bestolen voelende Chassepot werd na betaling van proceskosten het spreekwoordelijke bos ingestuurd.

 

Edouard de BeaumontEdouard de Beaumont is, op zijn zachts gezegd, een 'personnage curieux'. Afgezien van alle mogelijke andere activiteiten die hij zoal nog meer ontplooide, gold hij lange tijd als uitvinder van het Beaumontgeweer. Echter in 2006 op het symposium van de 'Vereniging Edouard de Beaumont', verraste de heer W.A. Dreschler de wereld met een Amerikaans octrooi uit 1870: 'Be it known that I, John Joseph Cloes, of Ličge, in the Kindom of Belgium, have invented a new improvement in Breech-loading Fire-arms'. Cloes deed dit als uitvinder, maar tevens als 'assignor to Edward de Beaumont, of same place'. Dit stukje papier maakte aldus een einde aan een jarenlange discussie of De Beaumont nu wel of niet de uitvinder was. Jean-Joseph Cloes, had op diens beurt wellicht inspiratie had opgedaan bij de Franse geweerontwerper Antoine Alphonse Chassepot en bij het Mauser-Norris geweer.

 

De productie van het Beaumontgeweer liep snel ten einde. Stevens kreeg nog enkele orders voor levering van revolvers voor officieren, echter die waren in het leger toen nog dun bezaaid. De zonen van Stevens, die niets voelden voor het naar Amsterdam verplaatsen van hun fabriek, kochten aardige optrekjes in het Limburgse en gingen wat anders 'doen'. Na de dood van Emile Stevens werd de wapenfabriek overgedaan aan... Edouard de Beaumont (onder de firma De Beaumont-Soleil). De Beaumont en zijn partner, de Luikerwaal Soleil, huurden daartoe aanvankelijk ook enige bedrijfspanden van Stevens; later werd het gehuurde aangekocht.


Beaumont-VitaliEnige opschudding ontstond toen in 1888 het inmiddels verouderde Beaumontgeweer moest worden omgebouwd tot een meerlader naar het model van de Italiaan Vitali en het Rijk deze order aan de firma FRANCOTTE uit Luik wilde gunnen. Geruggensteund door de media wist De Beaumont de order voor de poorten van de hel weg te kapen. Ook dit was geen lang leven beschoren. In 1890 nam hij de activiteiten en het onroerend goed voor eigen rekening over. De heren Stevens van het toneel verdwenen en De Beaumont noch zijn zonen tot innovatie in staat, raakte de eens zo veel geprezen geweerfabriek verder in verval. Edouard overleed in 1895. Door derden zijn er nog wel pogingen gedaan de wapenindustrie te Maastricht nieuw leven in te blazen, maar door 'omstandigheden' is het hier nooit van gekomen. En zo kwam er in Maastricht een 'definitief' einde aan het eeuwenoude ambacht van geweermaker.

 

Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis te BrusselWapen stad DelftEn Delft? 's Rijks Geweerwinkel te Delft ontwikkelde zich langzamerhand wél tot een echte geweerfabriek, zij het op bescheiden schaal. Rond de eeuwwisseling geleidelijk verplaatst naar Hembrug, had de overheid dat wat het altijd al wilde: een geweerfabriek binnen de vesting Amsterdam. Een vesting die niet lang stand hield. De inval van de Duitsers in 1940 maakte een voorlopig einde aan de Artillerie Inrichtingen, zoals het toen heette. Na de oorlog beleefde óók deze inrichting nog een tijdelijk opleving. De ontwikkeling van een wapen genaamd AR10, dat zijn tijd begin jaren zestig ver vooruit was en gezien kan worden als voorloper van het bekende Amerikaanse M16-geweer, had de geweermakerij voor Nederland kunnen behouden, maar weer zaten de 'omstandigheden' niet mee. De regering bestelde de benodigde nieuwe geweren bij FN te Herstal in het Luikse, en daarmee was de cirkel rond. In 1963 sloot ook de fabriek Hembrug haar deuren en gingen de geweermaker en de wapencontroleur naar huis. Uiteindelijk blijft het België boven. Nederland, of misschien beter: Holland was en is een handelsnatie. Dat wat rest zijn enige bewaard gebleven stukken, waaronder de wereldvermaarde Maastrichtse ivoren pistolen, die o.a. te bewonderen zijn in het Leger Museum te Delft en het Museum aan het Vrijthof te Maastricht.

Niet alleen in Nederland, maar ook in België zijn wapens van Nederlandse makelij te bewonderen. Het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis te Brussel geeft in de Technische Zaal een prima overzicht van 19e eeuwse vuurwapens. Tevens wordt aandacht gegeven aan de verschillende stadia van de productie ervan.

 

Beaumontgeweer met veiligheidspalVolgens de Duitse Börsen-Zeitung (1875) behoorde het Beaumontgeweer tot de vijf beste geweren voor militaire doeleinden van dat moment, dat naast de Mauser (Duits), de Werder (Beiers), de Berdan (Russisch) en de Gras (Frans). Een keuze uit zes en twintig verschillende soorten achterlaadgeweren die toen bij de diverse Europese legers in gebruik waren.
Veel 'actie' heeft het Beaumontgeweer (gelukkig) niet gezien. Een van de weinige oorlogen waar het een rol heeft gespeeld, was de Atjeh-oorlog die met tussenpozen woedde tussen 1873 en 1914. Werd het wapen eerst geroemd wegens gebruikersgemak en stoppend vermogen, later werd het verwenst omdat het daté was. In 1895 werd het vervangen door het Mannlichergeweer M95.
Buiten de Infanterie is ook nog de Dienstdoende Schutterij met het wapen uitgerust, en werd het ook veel gebruikt voor schietwedstrijden. Nu is het vooral een verzamelaarobject, waarvoor in Nederland en België geen vergunning noodzakelijk is. Het Beaumontgeweer werd ook nog gemaakt bij de Werkplaats Draagbare Wapenen te Delft. Naast aannemers en producenten waren zowel Stevens als De Beaumont ook handelaren, en vermarkten zij een scala aan producten voor zowel de professionele- als voor de consumentenmarkt: bajonetten, machetes, sabels, jachtgeweren.

 

Koloniaal pistool M1850Een uiterst zeldzaam koloniaal pistool M1850, geproduceerd door Petrus Stevens. (Zie ook boven) Het wapen is voorzien van het keurmerk van de wapencontroleur Johannes Schneider, geslagen onder auspiciën van de lt. kol. Brade. Schneider was geboren 1807 in Zella St. Blazii iets ten noorden van Suhl, hij overleed eind 1865 te Delft. 'Zeker is het dat de vele en goede diensten die het Rijk van wijlen haren man heeft genoten haar ongetwijfeld eenige onderstand doen waardig zijn,' aldus de kapitein Boom, chef van de Geweerwinkel, naar aanleiding van het verzoek van de weduwe Schneider-Büttner om financiële bijstand begin 1866.

 

Mijn onderzoek richt zich niet op de techniek. Boeken over wapens volop. Wat mij meer boeit, is hoe die fabrieken eruitzagen en de mensen die deze nijverheid hebben gekleurd. Niet alleen de ondernemers en hun relatie tot de overheid, maar ook de vaklui. De militair, werkzaam bij de Inspectie draagbare wapenen. De wapencontroleur en niet in de laatste plaats de geweermaker. Hij die een ambacht had waar men trots op mocht gaan, maar toch, met name door de overheidsdienaren, gezien werd als 'het werkvolkje'. Wie waren deze mensen? Hoe leefden zij? Soms wel aardig, geloof ik...

 

'Hoogedelgestrenge Heer, Waarde Overste!
Uit de hierbij gevoegde werklijsten zult U HoogEdGestr ontwaren dat de Carnavalsweek, door ons werkvolkje goed benut is, en dat zij meer gedanst, gesprongen enz. als gewerkt hebben; hunne zakken hebben zich evenwel daardoor geledigd en om ze weder te vullen zetten zij dan ook nu weer alle hunne zeilen bij.'

Maastricht 1846, Battaerd aan Brade.

J.C. Thonus

 

OPROEP: Graag zou ik met mensen in contact komen die wellicht een persoonlijke familienoot kunnen en willen bijdragen.

 

Rechts: Dhr. J.C. Thonus (geb. Culemborg 1810 + Maastricht 1884), een van de vele geweermakers / wapencontroleurs uit de geweermakerfamilie Thonus met sporen in Luik, Culemborg, Maastricht, Delft en Hembrug. Bijdrage van dhr. J.Thonus.

 

Neemt u gerust CONTACT / E-MAIL op. Alle info en opmerkingen welkom!

      

HOME